(Dit document is ook te lezen en downloaden in pdf

https://www.toetsalles.nl/pdf/grudem.feilbare.pdf )

 

Feilbare profetie

Bespreking van de denkbeelden van Wayne Grudem

 

Grudem maakt in het Nieuwe Testament onderscheid tussen twee vormen van profetie. Een gezaghebbende apostolische vorm van profetie, en een lagere, minder gezaghebbende vorm van profetie, die hij “gemeenteprofetie” noemt. Wanneer er vandaag de dag geprofeteerd wordt in christelijke kring, gaat het volgens Grudem om deze lagere vorm van profetie.

 

In deze studie zullen we zien dat de Bijbel dit onderscheid niet kent. Er zijn niet twee vormen van profetie in de Bijbel. Er is maar één absoluut gezaghebbende vorm.

 

Bij de bespreking is gebruik gemaakt van drie boeken van Grudem. “The Gift of prophecy in the New Testament and today” en zijn “Systematic Theology(1) En de verkorte versie van dit laatste boek, Christian Doctrine in het Nederlands vertaald met als titel “Bijbelse theologie”.

 

1.     Twee vormen van profetie

 

Grudem maakt in het Nieuwe Testament onderscheid tussen twee vormen van profetie. (2)

 

1.1.Apostolische profetie

 

Onder apostolische profetie verstaat Grudem alle profetieën die door de apostelen werden uitgesproken. De apostelen gaven met gezag de woorden van God door. Alles wat zij aan de gemeente onderwezen was waar en moest daarom zonder enige terughoudendheid aanvaard worden.

 

Grudem stelt apostolische profetie gelijk aan profetie die door de profeten van het Oude Testament is uitgesproken. Als een oudtestamentische profeet tot het volk sprak, kon het volk er van uitgaan dat elk woord dat hij sprak van God afkomstig was. Hetzelfde gold voor de apostelen in het Nieuwe Testament. De gelovigen konden er van uitgaan dat alles wat de apostelen leerden van God zelf afkomstig was.

 

Deze vorm van profetie komt volgens Grudem tegenwoordig niet meer voor in de gemeente. Zij hield op toen de apostelen verdwenen.  (3)

 

1.2.Gemeenteprofetie

 

Met gemeenteprofetie bedoelt Grudem alle profetieën die binnen de christelijke gemeente werden uitgesproken door anderen dan de apostelen.

 

Deze vorm van profetie is, volgens Grudem, niet honderd procent betrouwbaar. Volgens hem gaven deze profeten in hun eigen menselijke woorden door wat God hen spontaan in gedachten bracht. Tot deze profeten sprak, zo luidt zijn theorie, God veel minder duidelijk dan Hij tot de oudtestamentische profeten en de apostelen sprak. Het was voor deze profeten daarom veel lastiger om vast te stellen of God tot hen sprak en wat Hij dan precies tot hen zei. Ze verwarden gemakkelijk hun eigen gedachten met die van God, zeker als ze weinig ervaring hadden met profeteren. De gelovigen konden er dan ook niet zomaar vanuit gaan dat alles wat deze profeten doorgaven van God afkomstig was.

 

In tegenstelling tot de apostolische vorm van profetie zou volgens Grudem deze vorm van profetie tegenwoordig nog steeds voorkomen in de gemeente.  (4)

 

Een vergelijking:

 

Apostolische profetie

Gemeente profetie

Apostelen en profeten oude testament

Profeten nieuwe testament

God spreekt helder en duidelijk

God geeft slechts een indruk of intuïtie

Elk woord van God afkomstig

Profeten geven in eigen, gebrekkige menselijke woorden door wat God hen te binnen heeft gebracht.

Honderd procent betrouwbaar

Niet volledig betrouwbaar

Profeet vergist zich nooit

Profeet verwart gemakkelijk zijn eigen gedachten met de boodschap van God

 

2.     De Bijbel kent dit onderscheid niet

 

Uit niets in het Nieuwe Testament blijkt dat er twee vormen van profetie zijn. De Bijbel stelt de apostelen en profeten van het Oude Testament niet tegenover de nieuwtestamentische profeten. Integendeel, de profetische activiteit van de nieuwtestamentische profeten wordt op hetzelfde niveau geplaatst als de profetische activiteit van de apostelen en de oudtestamentische profeten. 

 

2.1.Dezelfde woorden worden gebruikt

 

De profeten van het Oude en het Nieuwe testament worden aangeduid met hetzelfde woord, het woord profeet. (5) De woorden die zij tot de mensen spreken worden in beide gevallen ‘openbaring’ of ‘profetie’ genoemd.  (6)  Wanneer ze namens God tot mensen spreken, wordt dat in beide gevallen ‘profeteren’ genoemd. (7)

Het Nieuwe Testament doet geen enkele poging om de profeten van het Oude van de profeten van het Nieuwe Testament te onderscheiden. Als er daadwerkelijk een belangrijk onderscheid is, dan zou je verwachten dat in het Nieuwe Testament voor de nieuwtestamentische profeten een andere benaming wordt gebruikt. Of dat de benaming profeet op z’n minst verder gekwalificeerd wordt, zodat de nieuwtestamentische profeten goed te onderscheiden zijn van de oudtestamentische profeten. Dat had het Nieuwe Testament bijvoorbeeld kunnen doen door consequent over ‘gemeenteprofeten’ te spreken wanneer de nieuwtestamentische profeten bedoeld zijn en over ‘profeten’ wanneer het om oudtestamentische profeten gaat. Dat is echter niet het geval.

 

Je moet wel met heel overtuigend Bijbels bewijs komen om dan toch een onderscheid te zien.

 

2.2.Beiden treden op met hetzelfde gezag

 

Volgens Grudem kun je het optreden van de profeten in het Oude Testament niet vergelijken met dat van de nieuwtestamentische profeten. In het Oude Testament was alles wat een profeet zei, woord voor woord, van God afkomstig. Maar in het Nieuwe Testament zou dat niet het geval zijn. Een profeet in het Nieuwe Testament geeft, zo stelt Grudem, in zijn eigen gebrekkige, menselijke woorden door wat God hem te binnen heeft gebracht.

 

Daarom raadt Grudem zijn lezers aan om voorzichtig te zijn wanneer zij profeteren. Hij raadt zijn lezers af om goddelijk gezag te claimen, zoals de profeten van het Oude Testament dat deden.

Ten slotte weet je nooit helemaal zeker of alles wat je zegt van God afkomstig is. Je kunt je vergissen of wellicht wat God je te binnen heeft gebracht niet helemaal zuiver weergeven.

Je kunt als nieuwtestamentische profeet dus beter niet zeggen: “Zo zegt de Here” of “de Here heeft mij duidelijk gemaakt dat.” Je kunt beter zeggen: “Ik heb de indruk dat God dit tot ons wil zeggen” of, “Ik heb het op mijn hart om dit met jou te delen”. (8)

 

Je zou verwachten dat de profeten van het Nieuwe Testament dan ook op deze voorzichtige manier te werk gaan. Maar dat is niet het geval, integendeel. Een duidelijk voorbeeld is de profeet Agabus. In Handelingen 21:10,11 lezen we: “En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam Agabus was. En hij kwam naar ons toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren.”

 

Agabus treedt hier op met hetzelfde gezag als de oudtestamentische profeten. Hij introduceert zijn woorden met: “Dit zegt de Heilige Geest”. Deze uitdrukking is vergelijkbaar met het: “Zo zegt de Here”, uit het Oude Testament. Vervolgens zegt Agabus stellig, vol overtuiging, zonder ook maar één spoortje van twijfel: “De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren”. Agabus is niet voorzichtig, hij kent geen enkele terughoudendheid, hij treedt met net zoveel gezag op als de profeten van het Oude Testament.

 

Vergelijk het optreden van Agabus eens met het optreden van de oudtestamentische profeet Ahia.

In 1 Koningen 11:29-31 lezen we over de profeet Ahia:

Het gebeurde in die tijd, toen Jerobeam uit Jeruzalem vertrok, dat de profeet Ahia uit Silo hem onderweg aantrof. Deze had zich in een nieuw kleed gehuld en zij beiden waren alleen in het open veld. Toen pakte Ahia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken. Hij zei tegen Jerobeam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt de HEERE, de God van Israel: Zie ik ga het koninkrijk uit de hand van Salomo losscheuren en Ik zal u tien stammen geven.”

Beiden spreken een profetie over iemand uit in diens tegenwoordigheid. Agabus over Paulus en Ahia over Jerobeam. Beiden gebruiken een kledingstuk om hun profetie aanschouwelijk te maken. Agabus de gordel van Paulus, en Ahia de mantel die hij aan had. Beiden treden op met het gezag van God. Agabus zegt: “Dit zegt de Heilige Geest”, Ahia zegt: “Zo zegt de HEERE”. Beiden voorspellen wat er in de toekomst gaat gebeuren. Agabus dat Paulus gevangen en overgeleverd zal worden in Jeruzalem, Ahia dat God tien stammen uit Salomo’s hand zal losscheuren en aan Jerobeam geven. Beiden spreken met grote stelligheid, “Dit is wat gaat gebeuren. Zo zal het gaan”.

Als we Grudem moeten geloven zou Ahia echter een heel ander soort profeet zijn dan Agabus. Volgens Grudem kon je op de woorden van Ahia altijd voor de volle honderd procent aan. Hij vergiste zich nooit. Maar of Agabus namens God sprak moest iedere keer nog maar blijken, daar konden de gemeenten in Judea niet zomaar van op aan. (9)

 

2.3. Apostelen en profeten worden in het Nieuwe Testament aan elkaar gelijkgesteld

 

Grudem maakt onderscheid tussen de profetische activiteit van de apostelen en die van de nieuwtestamentische profeten. Dit onderscheid kent het Nieuwe Testament niet. Integendeel, in verschillende Bijbelgedeelten wordt de profetische activiteit van de nieuwtestamentische profeten gelijkgesteld aan die van de apostelen. De woorden van een nieuwtestamentische profeet waren net zo betrouwbaar en gezaghebbend als de woorden van een apostel of van één van de profeten van het Oude Testament.

 

We zullen drie Bijbelgedeelten bekijken die dit duidelijk maken.

 

-1 Korinthe 13:8,9

 

“De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben. Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. ” (1 Korinthe 13:8,9)


In dit Bijbelgedeelte stelt Paulus zijn eigen profetische activiteit gelijk met de profetische activiteit van de profeten in de gemeente te Korinhte. Paulus spreekt in dit Bijbelgedeelte over “ons profeteren”. Daarmee bedoelt hij zijn eigen profeteren en dat van zijn lezers. Hij ziet blijkbaar geen kwalitatief verschil tussen zijn eigen profeteren en de profetische activiteit van de Korinthiërs.

 

Als er daadwerkelijk een fundamenteel onderscheid was, dan zou Paulus zijn eigen profeteren nooit in één adem genoemd hebben met het profeteren van de Korinthiërs. Hij zou zijn eigen profetische activiteit en die van de Korinthiers uit elkaar hebben gehouden.

 

-Efeze 2:20 en Efeze 3:5

 

“Zo bent u dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus Zelf de hoeksteen is” (Efeze 2:20)

 

In dit vers vergelijkt Paulus het ontstaan en de groei van de gemeente met een bouwproject.
De bediening van de apostelen en profeten vergelijkt hij met het leggen van het fundament en de groei van de gemeente vergelijkt hij met het optrekken van de rest van het gebouw op dat fundament.

 

De nieuwtestamentische profeten legden samen met de apostelen het fundament van de gemeente. Dit deden ze door hun profetische activiteit. Via hen openbaarde God belangrijke waarheden aan de gelovigen, zoals de waarheid over de gemeente. De gemeente is het lichaam van Christus. Dit geestelijke lichaam bestaat zowel uit Joden als uit heidenen. 

In Efeze 3:3-6  zegt Paulus dat God deze waarheid bekend heeft gemaakt aan de apostelen en de profeten van het Nieuwe Testament.  Het was een nieuwe openbaring die God nog niet eerder bekend had gemaakt. De profeten van het Oude Testament wisten er nog niet van. (10)

 

“… dat Hij mij [Paulus] door openbaring dit geheimenis bekendgemaakt heeft...dat in andere tijden niet bekendgemaakt is aan de mensenkinderen, zoals het nu geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest, namelijk dat de heidenen mede-erfgenamen zijn en tot hetzelfde lichaam behoren en mededeelgenoten zijn van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie” (Efeze 3:3-6)

 

We kunnen er vanuit gaan dat deze openbaring van God in beide gevallen hetzelfde karakter had. God zal net zo helder tot de apostelen als tot de profeten hebben gesproken.

Als we de theorie van Grudem moeten geloven, dan zou er een groot onderscheid zijn. Volgens Grudem zou God heel helder en duidelijk hebben gesproken tot de apostelen, maar veel minder duidelijk tot de profeten. God zou de nieuwtestamentische profeten slechts een indruk of een intuïtie van deze waarheid hebben gegeven, die zij vervolgens in gebrekkige menselijke woorden aan de gemeente overbrachten. 

 

Deze uitleg is ongeloofwaardig. Als er inderdaad een fundamenteel onderscheid is, dan zou de Bijbel hun profetische activiteit nooit op deze manier aan elkaar gelijk stellen. In dat geval zou de Bijbel de profetische activiteit van de apostelen strikt gescheiden houden van die van de nieuwtestamentische profeten.  (11)

 

3.     Onderschatting van de ernst van valse profetie

 

De theorie van Grudem onderschat de ernst van valse profetie.

 

In Gods ogen is een valse profetie uitspreken zeer ernstig. Op het uitspreken van valse profetieën stond in Israël de doodstraf (Deuteronomium 13:5; 18:20).

Regelmatig wordt in de Bijbel Gods oordeel aangekondigd over valse profeten (Jeremia 14:14-16; 23:25-32; Ezechiël 13:1-9).

 

God accepteert het niet wanneer mensen hun eigen gedachten voorstellen als Zijn woord.

 

“Het woord van de HEERE kwam tot mij: Mensenkind, profeteer tegen de profeten van Israël die profeteren, en zeg tegen hen die naar eigen inzicht profeteren: Hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Wee de dwaze profeten die hun eigen geest volgen zonder iets te hebben gezien!” (Ezechiël 13:1-3)
“...Zij profeteren u een leugenvisioen, waarzeggerij, holle praat en bedrog van hun eigen hart.” (Jeremia 14:14)

 

Als we Grudem moeten geloven, vond God valse profetie in het Oude Testament onacceptabel en buitengewoon ernstig, maar vindt God dat tegenwoordig blijkbaar niet meer zo erg. In het Oude Testament kondigde God zijn oordeel aan over profeten die hun eigen gedachten doorgaven, maar in deze tijd heeft God daar blijkbaar veel geduld mee. 

 

Dat is ongeloofwaardig. Immers, God is niet veranderd. Als Hij in het Oude Testament een afkeer had van valse profetie, dan heeft Hij dat vandaag de dag nog steeds. Als God in die tijd valse profetie niet tolereerde, dan doet Hij dat vandaag de dag ook niet.

 

Valse profetieën uitspreken is een vorm van bedrog. God heeft een hartgrondige afkeer van alle misleiding en bedrog. Dat had Hij vroeger in de tijd van het Oude Testament, en dat heeft Hij vandaag de dag nog steeds.  (12)

 

4.     Toetsing van de argumenten van Grudem voor feilbare profetie

 

Hoe probeert Grudem het onderscheid tussen onfeilbare apostolische profetie en feilbare gemeenteprofetie te onderbouwen vanuit de Bijbel?

 

4.1. Alleen de apostelen kunnen vergeleken worden met de oudtestamentische profeten

 

Grudem beweert dat de apostelen de ware opvolgers zijn van de oudtestamentische profeten. Alleen de apostelen kunnen, volgens hem, gelijk gesteld worden aan de profeten van het Oude Testament. De nieuwtestamentische profeten mogen daarentegen niet zomaar met de profeten van het Oude Testament worden vergeleken. Hij probeert dat op de volgende manier te bewijzen. Eerst beschrijft hij wat volgens hem een oudtestamentische profeet kenmerkt. En vervolgens stelt hij dat alleen de apostelen aan deze beschrijving voldoen. De nieuwtestamentische profeten zouden er niet aan voldoen.

 

Volgens Grudem kan een oudtestamentische profeet herkend worden aan de volgende twee zaken:

 

De woorden die hij sprak waren absoluut gezaghebbend
Hij sprak de woorden van God zelf, ieder woord moest daarom serieus worden genomen. De mensen mochten niets van wat de profeet zei negeren.

 

Zijn woorden gingen onderdeel uitmaken van de Bijbel
Dat kon op twee manieren. Hij werd door God gebruikt om een deel van de Bijbel te schrijven,

of zijn woorden werden door anderen verzameld en bewaard als onderdeel van de Bijbel.

 

De profeten van het Nieuwe Testament voldoen volgens Grudem niet aan deze kenmerken,

maar de apostelen wel. De apostelen spraken met absoluut gezag en hun woorden werden opgenomen in de Bijbel. Dat was niet het geval bij de nieuwtestamentische profeten. Zij spraken volgens Grudem niet met absoluut goddelijk gezag, en hun woorden zijn niet bewaard in de geschriften van het Nieuwe Testament. Daarom staan alleen de apostelen op het niveau van de oudtestamentische profeten. Zij zijn de nieuwtestamentische opvolgers van de oudtestamentische profeten. (13)

 

Deze redenering van Grudem klop niet.

 

Optreden met absoluut goddelijk gezag was in het Nieuwe Testament niet slechts voorbehouden aan de apostelen. De profeten van het Nieuwe Testament traden op met hetzelfde gezag als de oudtestamentische profeten. Een duidelijk voorbeeld is de profeet Agabus. (14) Niet alleen de apostelen maar ook de nieuwtestamentische profeten voldoen dus aan het eerste criterium

 

Volgens Grudem is het tweede kenmerk van een oudtestamentische profeet dat zijn woorden werden opgenomen in de Bijbel. Maar niet van elke profeet in het Oude Testament zijn boodschappen opgenomen in de Bijbel. Dit is dan ook geen wezenlijk kenmerk van een oudtestamentische profeet.  

 

In de tijd van het Oude Testament waren er heel wat profeten die nooit ook maar één woord van de Bijbel hebben geschreven. Van veel profeten van het Oude Testament zijn de woorden, ondanks hun goddelijk gezag, verloren gegaan. God vond het niet belangrijk om hun profetieën in de Bijbel te bewaren. Denk bijvoorbeeld aan de profetische woorden van Henoch. Van hem hebben we alleen een korte samenvatting van zijn boodschap in de Judas brief (Judas :14,15), maar we hebben geen boek in de Bijbel waarin zijn profetieën zijn opgetekend. Een ander voorbeeld zijn de honderd profeten die Obadja de knecht van Achab voor Izebel verborg (1 Koningen 18:13). De woorden van deze profeten, zijn voor ons niet bewaard gebleven. Maar uit niets in de Bijbel blijkt dat deze profeten met minder gezag spraken dan de profeet Elia. 

 

Hetzelfde geldt overigens ook voor de apostelen. Er zijn maar vier apostelen die rechtstreeks bij hebben gedragen aan het Nieuwe Testament: Mattheus, Johannes, Petrus en Paulus. De andere acht apostelen heeft God daar niet voor gebruikt. Toch waren de woorden die zij tot de mensen spraken net zo gezaghebbend als de woorden van Mattheus, Johannes, Petrus en Paulus.

Dat de nieuwtestamentische profeten niet bijgedragen hebben aan het Nieuwe Testament, diskwalificeert hen om die reden niet als gezaghebbende profeten.

 

God vond het blijkbaar niet nodig om de woorden van de nieuwtestamentische profeten te bewaren voor volgende generaties. Zoals God het ook overbodig vond om de woorden van acht van de twaalf apostelen te bewaren. (15)

 

4.2.  De betekenis van het woord profeet

 

Grudem probeert het onderscheid tussen apostolische profetie en gemeenteprofetie te baseren op het gebruik van het woord προφητης  (profeet) in het buiten-Bijbels Grieks.

 

Volgens Grudem heeft het Griekse woord προφητης  (profeet) in het buitenbijbels Grieks van die tijd een heel brede betekenis. Het heeft de betekenis van ‘iemand die onder invloed van buitenaf spreekt’. Vaak gaat het dan om een bepaalde geestelijke invloed. In de tijd van het Nieuwe Testament heeft het woord in het dagelijks spraakgebruik de betekenis: “iemand die bovennatuurlijke kennis bezit”, “iemand die de toekomst voorspelt” of eenvoudigweg “vertegenwoordiger, woordvoerder, iemand die namens een ander spreekt”. Volgens Grudem dacht in die tijd niemand bij het woord προφητης (profeet) aan mensen die met absoluut goddelijk gezag spraken. In het dagelijks spraakgebruik van die tijd had dit woord niet deze specifieke betekenis. (16)

 

Dit is de redenering van Grudem

 

Volgens Grudem zijn de apostelen de ware opvolgers van de profeten van het Oude Testament. Je zou daarom verwachten dat Jezus zijn twaalf discipelen profeten zou noemen, in plaats van apostelen. Toch doet Jezus dat niet. Volgens Grudem vermijdt Jezus met opzet het woord profeet omdat dit tot misverstanden zou kunnen leiden. Want, zo redeneert Grudem, het woord profeet had in het buitenbijbels Grieks van die tijd een veel te brede, algemene betekenis. Een betekenis die volgens hem niet goed aansloot bij wat de apostelen daadwerkelijk waren, profeten in oudtestamentische zin, profeten waarvan de woorden absoluut goddelijk gezag hadden. Wanneer Jezus zijn discipelen had aangeduid met het woord προφητης  (profeet) zou dit niet direct duidelijk zijn geweest. Bij het woord προφητης  (profeet) zouden de mensen gedacht hebben aan iemand die bovennatuurlijke kennis had of aan iemand die namens een ander sprak, maar ze zouden niet specifiek hebben gedacht aan iemand die, zoals de oudtestamentische profeten, de woorden van God aan de mensen overbracht.

Om misverstanden te voorkomen koos Jezus daarom, volgens Grudem, voor het woord apostel. In plaats van over zijn twaalf profeten te spreken, sprak Jezus over zijn twaalf apostelen.

 

Bij de nieuwtestamentische profeten leidt het gebruik van het woord profeet, zo redeneert Grudem, niet tot misverstanden. Want hun manier van profeteren zou namelijk goed overeenkomen met de betekenis die het woord προφητης (profeet) in die tijd in het buitenbijbels Grieks had. Daarom duidt de Bijbel hen, in tegenstelling tot de apostelen, wel aan met het woord προφητης  (profeet). (17)

 

De redenering van Grudem is niet overtuigend

 

Grudem ziet over het hoofd dat het denken van de Grieks sprekende Joden uit die tijd gevormd was door hun omgang met de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint. De Joden uit die tijd waren uiteraard bekend met het buitenbijbels gebruik van het woord προφητης (profeet). Maar dit had geen invloed op de eigen, meer specifieke opvatting, die zij van dit woord hadden.

 

In de Septuagint wordt het woord  προφητης (profeet) voortdurend gebruikt om de profeten van het Oude Testament aan te duiden. Het woord προφητης (profeet) had om die reden, onder de Grieks sprekende Joden uit die tijd, een heel specifieke, welomlijnde betekenis. Het had de betekenis van een profeet van God die met absoluut goddelijk gezag sprak en wiens woorden beschouwd moesten worden als de woorden van God.

Ook de schrijvers van het Nieuwe Testament hadden deze meer specifieke, door de Septuagint gekleurde, opvatting van dit woord. In het Nieuwe Testament wordt het woord προφητης (profeet)  voortdurend gebruikt om de profeten van het Oude Testament mee aan te duiden. (18) Ook Jezus gebruikt dit woord veelvuldig wanneer Hij over de profeten van het Oude Testament spreekt. (19)

Wanneer een Grieks sprekende Jood in de Septuagint of in het Nieuwe Testament over profeten las, dan zou hij onmiddellijk gedacht hebben aan iemand die met absoluut goddelijk gezag de woorden van God tot de mensen spreekt. Hij zou nooit gedacht hebben aan de meer algemene, minder specifieke betekenis, die dit woord had in de Grieks sprekende cultuur van die tijd.

 

Maar waarom noemt Jezus zijn twaalf discipelen dan niet gewoon profeet? Waarom kiest hij ervoor om hen apostelen te noemen?

Hier is een eenvoudige verklaring voor te geven. Jezus noemt hen apostelen omdat het woord profeet hun taak niet goed genoeg omschrijft.

De twaalf discipelen van Jezus waren naast profeten ook ooggetuigen van Jezus leven en opstanding,  gemeentestichters en leiders van de gemeente. Door voor het woord apostel te kiezen, geeft Jezus een betere omschrijving van hun taak. Het woord profeet zou een te beperkte indruk hebben gegeven, want de apostelen waren meer dan alleen profeten.

 

De keuze van Jezus voor de aanduiding apostel heeft dus niets te maken met de betekenis van het woord προφητης (profeet) in het buitenbijbels Grieks van die tijd, zoals Grudem veronderstelt.

 

Ook dit argument van Grudem houdt geen stand.

 

4.3.  Ons profeteren is onvolmaakt

 

Volgens Grudem heeft Paulus het in 1 Korinthe 13:8-12 over een feilbare vorm van profetie.

 

In 1 Korinthe 13:8-12 staat dat ons kennen en profeteren ten dele is, het is onvolkomen.

“Wat dan profetieën betreft, zij zullen tenietgedaan worden … want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele, maar wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, zal wat ten dele is, tenietgedaan worden … nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben.”

 

Volgens Grudem moeten we ‘ten dele’ opvatten als feilbaar, als niet volledig betrouwbaar. (20)

 

Deze uitleg is onjuist. ‘Ten dele’, betekent niet gebrekkig of deels onbetrouwbaar, het betekent onvolledig, gedeeltelijk. Dat is de letterlijke betekenis van ‘ten dele’. Wij weten als christenen al veel over de toekomst en over de geestelijke dingen, maar onze kennis daarvan is nog niet compleet. We zien het grote beeld, maar nog niet alle details. In die zin is ons kennen en profeteren ‘ten dele’. Er zijn nog dingen die ons onbekend zijn, die een raadsel voor ons zijn. De apostel Johannes zegt bijvoorbeeld: “Geliefden, nu zijn wij kinderen van God en het is nog niet geopenbaard, wat wij zullen zijn; (maar) wij weten, dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is.”(1 Johannes 3:2)

 

In 1 Korinthe 13:8-12 vergelijkt Paulus onze huidige toestand met hoe het straks zal zijn als Jezus terugkomt. Nu moeten wij het nog doen met ware, maar onvolledige kennis uit de Bijbel. Maar straks als Jezus terugkomt, zal ons beeld van de geestelijke dingen compleet zijn, dan zullen er geen raadsels meer zijn.

Wanneer die tijd komt hebben we de profetieën van de Bijbel niet meer nodig om ons te informeren over allerlei zaken, we zullen ze zelf zien en beleven.

 

4.4.  Niet de profeet maar zijn profetieën moeten getoetst worden.

 

Grudem beweert dat in het Nieuwe Testament niet de profeet, maar alleen de uitgesproken profetieën moeten worden gecontroleerd. Dit in tegenstelling tot de situatie in het Oude Testament. Daar moesten zowel de profeet als de profetieën die hij uitsprak worden getoetst. Als in het Oude Testament een profeet een valse profetie uitsprak, dan werd hij direct afgewezen als een valse profeet. Op het uitspreken van een valse profetie stond zelfs de doodstraf. Als een nieuwtestamentische profeet er naast zit, dan heeft dat, volgens Grudem, geen consequenties voor de profeet. Hij krijgt een herkansing. Hij mag het keer op keer proberen. In de hoop dat hij af en toe raak profeteert. De gelovigen moeten zijn feilbaar ‘geprofeteer’ serieus blijven nemen en keer op keer nagaan of zijn profetie uit God is.

 

Grudem baseert deze theorie op twee Bijbelgedeelten.

 

Op 1 Thessalonicenzen 5:20,21: “Veracht de profetieën niet. Beproef alle dingen, behoud het goede” en op 1 Korinthe 14:29: “En laten twee of drie profeten spreken, en laten de anderen het beoordelen.”

Volgens Grudem roept Paulus de gelovigen in deze Bijbelgedeelten op om dat wat van God is, in de boodschap van een profeet, te scheiden van dat wat niet van God is. Paulus heeft het volgens Grudem in deze Bijbelgedeelten wel over het toetsen van de uitgesproken profetie, maar niet over het toetsen van degene die de profetie uitspreekt.  (21)

 

De weerlegging

 

Het één sluit het ander niet uit. Dat we in deze Bijbelgedeelten worden opgedragen om profetie te toetsen, sluit niet uit dat we ook de profeten zelf moeten beoordelen.

Ook in het Nieuwe Testament wordt ons opgedragen om de profeten te toetsen. In 1 Johannes 4:1 lezen we: “Geliefden, geloof niet elke geest, maar beproef de geesten of zij uit God zijn; want er zijn veel valse profeten in de wereld uitgegaan” En in Mattheus 7:15 zegt Jezus: “Maar wees op uw hoede voor de valse profeten...”

 

Verder moeten we ons afvragen waarom we in deze Bijbelgedeelten worden opgedragen om de profetieën die uitgesproken worden te toetsen. Is dat omdat, zoals Grudem beweert, een profeet zich kan vergissen, niet alles wat hij zegt is van God afkomstig? Of roept Paulus ons in deze Bijbelgedeelten op om aan de hand van iemands profetieën na te gaan of hij een ware profeet van God is?

 

Hoe onderkennen we een valse profeet? In de eerste plaats aan zijn profetieën. Is wat hij doorgeeft in strijd met de Bijbel? Komt uit wat hij aankondigt? 

Om de valse profeten van de ware profeten te onderscheiden, moet je nauwkeurig letten op wat zij zeggen. Een ware profeet zal zich nooit vergissen. Hij zal nooit zijn eigen gedachten doorgeven als het Woord van God, maar een valse profeet zal dat vroeg of laat wel doen. Om deze valse profeten te ontmaskeren moest een gemeente voortdurend op haar hoede zijn en nauwkeurig iedere profetie die uitgesproken werd aan het Woord van God toetsen.

 

Deze uitleg is beter dan de uitleg van Grudem, omdat deze uitleg overeen komt met het andere onderwijs van de Bijbel over profetie. Zoals we aan het begin van deze studie hebben gezien (zie punt 2) maakt de Bijbel geen wezenlijk onderscheid tussen de profeten van het Oude en het Nieuwe testament. De eisen die voor de Oudtestamentische profeten golden, gelden daarom ook voor de profeten van het Nieuwe Testament. Wanneer een hedendaagse profeet zich één keer vergist, en zijn eigen woorden voorstelt als het woord van God, moet ook hij direct afgewezen worden. (22)

4.5.  Er zouden voorbeelden van feilbare profetie in het Nieuwe Testament staan

 

In Handelingen 21 zouden we, volgens Grudem, twee voorbeelden van feilbare profetie tegen komen. Als er inderdaad feilbare profetie in de Bijbel voorkomt, dan zou dat Grudems theorie bevestigen. We zullen in deze paragraaf zien dat Grudem zich vergist, er zijn in de Bijbel geen voorbeelden van feilbare profetie. 

 

Het eerste voorbeeld is Handelingen 21:10-12

 

Handelingen 21:10-12

 

 “En toen wij daar vele dagen bleven, kwam er een zekere profeet uit Judea, van wie de naam Agabus was. En hij kwam naar ons toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren. Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan.” (Handelingen 21:10-12)

 

Agabus zou er, zo veronderstelt Grudem, in deze profetie gedeeltelijk naast zitten. Wat de grote lijn betreft had hij het goed, Paulus werd inderdaad in Jeruzalem gevangen genomen, maar de details van zijn profetie zouden niet kloppen. Paulus werd, volgens Grudem, niet door de Joden aan handen en voeten gebonden met een gordel en zo overgeleverd aan de Romeinen.  (23)

 

In Handelingen 21:26-40 lezen we dat er een volksoploop ontstaat en dat de Joden proberen om Paulus te doden. Als de Romeinen horen wat er gebeurt, komen ze in actie en maken een eind aan de volksoploop door Paulus in de boeien te slaan en mee te nemen.

 

“...En ze [de joden] grepen Paulus en sleurden hem de tempel uit. En terwijl zij hem probeerden te doden, kreeg de overste van de legerafdeling het bericht dat heel Jeruzalem in verwarring was….  Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan. Toen kwam de overste dichterbij, greep hem en gaf bevel hem met twee ketenen te boeien, en hij vroeg wie hij was en wat hij gedaan had.” (Handelingen 21:30-33)

Volgens Grudem spreken deze twee Bijbelgedeelten elkaar tegen. In het ene Bijbelgedeelte wordt gezegd dat Paulus door de Joden aan handen en voeten met een gordel wordt gebonden. In het andere Bijbelgedeelte staat dat Paulus door de Romeinen met ketenen wordt gebonden. In het ene Bijbelgedeelte staat dat de Joden Paulus aan de Romeinen overleverden. In het andere
Bijbelgedeelte staat dat de Romeinen Paulus gevangen namen.


Er is echter geen tegenspraak. Deze twee Bijbelgedeelten zijn eenvoudig met elkaar in overeenstemming te brengen. Ze spreken elkaar niet tegen, ze vullen elkaar aan.

De gebeurtenissen van die dag verliepen dan als volgt:

Paulus wordt door de Joden uit Asia in de tempel gezien.
– Paulus wordt beschuldigd van tempelschennis.
– Paulus wordt in de tempel door de joden aan handen en voeten gebonden met een gordel om hem zo aan de Romeinen over te leveren.
– Terwijl Paulus de tempel uit gesleurd wordt, probeert de woedende menigte hem te doden.

De Romeinse autoriteiten horen van de volksoploop en komen in actie.
– Als de Romeinse soldaten zien hoe groot de woede van de menigte is, besluiten ze Paulus gevangen te nemen en naar de kazerne te brengen.  (24)

 

Er is geen reden om aan te nemen dat Agabus er (gedeeltelijk) naast zat. Twee details uit de profetie van Agabus komen niet terug in Handelingen 21:26-22:29. Deze details zijn er echter ook niet mee in strijd en kunnen eenvoudig in de gebeurtenissen van die dag worden in gepast.

 

Handelingen 21:3,4

 

Het tweede voorbeeld is Handelingen 21:3,4
“En nadat wij Cyprus in zicht gekregen hadden en dat links hadden laten liggen, voeren wij naar Syrië en kwamen aan in Tyrus, want daar moest het schip zijn lading lossen. En nadat wij er discipelen gevonden hadden, bleven wij daar zeven dagen. Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest, dat hij niet naar Jeruzalem moest gaan.”

 

De discipelen in Tyrus lijken het bij het verkeerde eind te hebben. Grudem ziet hierin een voorbeeld van feilbare profetie.  (25)  Voordat Paulus in Tyrus aankwam, had God hem duidelijk gemaakt dat hij naar Jeruzalem moest gaan ook al wachtte hem daar verdrukking en gevangenschap (Handelingen 9:15,16; 21:10-12). God had een bedoeling met zijn gevangenschap. In zijn gevangenschap zal God Paulus gebruiken om te getuigen van zijn geloof voor de koningen en machthebbers van het Romeinse rijk.

 

Waarschijnlijk is hier het volgende aan de hand. God had de discipelen in Tyrus duidelijk gemaakt dat Paulus gevangen genomen zou worden in Jeruzalem. Op basis van deze openbaring van God gaven ze Paulus het dringende advies om niet naar Jeruzalem te gaan. Dit advies was heel begrijpelijk, maar niet van God afkomstig. We moeten de zin “Zij zeiden tegen Paulus, door de Geest” dan niet opvatten als: “Zij zeiden tegen Paulus, met woorden die door de Geest waren ingegeven… ” Maar als: “Zij zeiden tegen Paulus, naar aanleiding van de openbaring die de Geest hen gegeven had...”.

 

Hetzelfde zien we bij de profetie van Agabus uit Handelingen 21:10-12. Nadat Agabus zijn profetie had uitgesproken lezen we: “Toen wij dit hoorden, smeekten zowel wij als de mensen van die plaats dat hij niet naar Jeruzalem zou gaan.” Dit dringende advies was geen onderdeel van de profetie die Agabus uitsprak. Maar de begrijpelijke, menselijke reactie van de mensen die de profetie hoorden.

 

Ook in dit geval is er dus geen sprake van feilbare profetie, maar van begrijpelijke menselijke emoties naar aanleiding van een profetie. In de Bijbel komen we geen enkel voorbeeld tegen van feilbare profetie. Profetie is in de Bijbel altijd honderd procent nauwkeurig.

 

4.6.  Een aantal argumenten vanuit 1 Korinthe 14

 

Om te bewijzen dat er feilbare profetie in de Bijbel voorkomt, besteedt Grudem veel aandacht aan 1 Korinthe 14. Een van zijn argumenten vanuit 1 Korinthe 14 hebben we hiervoor al besproken. Het idee dat niet de profeet, maar alleen zijn profetieën beoordeeld moeten worden. Maar hij geef nog een aantal argumenten vanuit 1 Korinthe 14.

 

4.6.1.  1 Korinthe 14:36

 

Het eerste vers dat we zullen bespreken is 1 Korinthe 14:36

“Of is het woord van God van u uitgegaan? Of heeft het alleen u bereikt?”

 

Volgens Grudem toon dit vers aan dat de nieuwtestamentische profeten niet met het zelfde gezag spraken als de apostelen. 

 

Grudem legt het vers op de volgende manier uit

 

De uitdrukking: “Of is het woord van God van u uitgegaan?” zouden we op moeten vatten als: “Is er vanuit uw midden met absoluut goddelijk gezag gesproken?” Het antwoord op deze retorische vraag luidt dan: “Neen! Ik, Paulus, spreek, net als de oudtestamentische profeten met goddelijk gezag. Maar jullie doen dat niet. Jullie geven slechts in menselijke woorden weer, wat God jullie te binnen heeft gebracht. ” (26)

 
Grudem leest te veel in dit vers

 

Grudem leest te veel in de woorden “Of is het woord van God van u uitgegaan?”. Hij geeft een eigen invulling aan deze uitdrukking. Hij stelt deze uitdrukking gelijk met het gezaghebbend spreken van de apostelen en de profeten van het Oude Testament.

Deze uitleg is niet overtuigend. Er is een veel betere uitleg voor deze uitdrukking. Een uitleg die rekening houdt met de manier waarop deze uitdrukking in andere bijlgedeelten wordt gebruikt. In 1 Thessaloncenzen 1:8 gebruikt Paulus een vergelijkbare uitdrukking. Daar zegt Paulus over de Thessalonicenzen “Want van u uit heeft het Woord van de Heere luid geklonken...”. Met “het woord van de Heere” wordt in dit vers de verkondiging van het evangelie bedoeld. Paulus denkt hier niet aan de boodschap van een profeet. Op dezelfde manier moeten we de uitdrukking “het woord van God” in 1 Korinthe 14:36 opvatten.

Paulus denkt hier niet aan een profeet die met absoluut goddelijk gezag spreekt. Hij denkt hier aan mensen die geleid door Gods Geest het evangelie verkondigen.

 

“Of is het woord van God van u uitgegaan” betekent dan “Zijn jullie soms de eersten die het evangelie hebben verkondigd?”

Het antwoord op deze vraag luidt dan: “Nee, want het evangelie is in het begin uitgegaan vanuit Jeruzalem en de gemeenten in Judea. Pas later is het ook uitgegaan vanuit Korinthe en de andere gemeenten die ontstonden onder de heidenen.”

 

Paulus zet in dit vers de gemeente te Korinthe op zijn plaats. Een deel van de Korintiërs had de neiging om opgeblazen en eigenwijs te zijn (1 Korinthe 4:6-8,18,19; 5:1,2). Sommigen hadden blijkbaar zelfs de neiging om de instructies van Paulus te negeren (1 Korinthe 14:37). 

De Korintiërs moesten niet te veel van zich zelf denken. Zij waren niet de eersten die het evangelie verkondigd hebben: “Of is het woord van God van u uitgegaan?”. En zij waren ook niet de enige christenen op de wereld: “Of heeft het alleen u bereikt?”

 

4.6.2.  1 Korinthe 14:37

 

“Als iemand denkt dat hij een profeet is of een geestelijk mens, laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn.”

(1 Korinthe 14:37)

 

Ook dit vers zou volgens Grudem aantonen dat de nieuwtestamentische profeten niet met hetzelfde gezag spraken als de apostelen.

 

De context van het vers

 

In 1 Korinthe 14 geeft Paulus instructies voor het handhaven van de orde in de gemeentesamenkomsten. Hij geeft onder andere instructies voor het functioneren van de gave van profetie. Er mogen slechts twee of drie profeten spreken in de gemeentesamenkomst (1 Korinthe 14:29). Dat moeten ze na elkaar doen, ze mogen niet door elkaar heen praten (1 Korinthe 14:30,31). Iedere profetie die uitgesproken wordt, moet door de gemeente worden beoordeeld (1 Korinthe 14:29).

Deze en andere instructies van Paulus waren bindend, ze moesten beschouwd worden als de woorden van Jezus zelf. Niemand mocht er van afwijken, ook de profeten in de gemeente niet.

“Als iemand denkt dat hij een profeet is of een geestelijk mens, laat hij dan erkennen dat wat ik u schrijf geboden van de Heere zijn.”

(1 Korinthe 14:37)

 

De redenering van Grudem

 

De profeten in de gemeente te Korinthe dienden zich net als de rest van de gemeente aan de instructies van Paulus te houden. Zij stonden dus onder het gezag van de apostel Paulus. Daaruit leidt Grudem af dat hun woorden minder gezaghebbend waren dan de woorden van Paulus en de andere apostelen. Deze conclusie is onjuist. Grudem leest opnieuw te veel in dit Bijbelvers. (27)

 

De weerlegging

 

Het enige wat het Bijbelgedeelte zegt, is dat iedereen in de gemeente te Korinthe zich aan de instructies van de apostel Paulus diende te houden. Dat gold ook voor de profeten. Maar dat betekende niet dat de profetieën die zij uitspraken minder gezag hadden. Hun gehoorzaamheid aan de instructies van Paulus maakte hun profetieën niet ineens minder betrouwbaar dan die van de apostelen.

 

We kunnen de situatie van de profeten te Korinthe vergelijken met de situatie van de profeten in het Oude Testament. De profeten van het Oude Testament stonden in dezelfde relatie tot Mozes, als de profeten te Korinthe stonden tot de apostelen.

De profeten van het Oude Testament mochten niets leren dat tegen de wet van Mozes inging. Ze moesten zich houden aan de voorschriften die Mozes namens God had doorgegeven. Maar dat betekende niet dat hun profetische woorden minder gezag hadden dan de woorden van Mozes. Op dezelfde manier moesten de profeten van het Nieuwe Testament zich aan het onderwijs van de apostelen houden. Maar dat betekende niet dat ze met minder gezag spraken. De profeten van het Oude Testament zeiden, ondanks dat zij zich aan Mozes moesten houden, nog steeds: “Zo spreekt de Here …” en de profeten van het Nieuwe Testament zeiden ondanks dat zij zich aan de apostelen moesten houden nog steeds: “Zo zegt de Heilige Geest …”.

 

4.6.3.  1 Korinthe 14:29

 

“En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen”

 

Voor we op het argument van Grudem ingaan, eerst iets over de achtergrond en de uitleg van dit vers.

 

De achtergrond van dit vers

 

Blijkbaar verliepen de samenkomsten in de gemeente te Korinthe nogal chaotisch en werden mensen tijdens deze samenkomsten lang niet altijd opgebouwd. Er werd in de gemeentesamenkomsten bijvoorbeeld veel te veel nadruk gelegd op het spreken in tongen en te weinig op profeteren (1 Korinthe 14:1-24). Als er in tongen werd gesproken, gebeurde dat op een chaotische manier. Mensen spraken door elkaar heen, en de tongentaal werd niet vertaald (1 Korinthe 14:27,28). Hetzelfde gebeurde blijkbaar ook met het profeteren. De profeten wachten niet altijd op elkaar, maar begonnen soms door elkaar heen te profeteren. Om dit probleem aan te pakken geeft Paulus in 1 Korinthe 14 verschillende instructies. In 1 Korinthe 14:29-30 staan zijn instructies voor het profeteren.

 

“En laten twee of drie profeten spreken, en de anderen het beoordelen. En als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen. Want u kunt allen, de één na de ander, profeteren, opdat allen leren en allen bemoedigd worden. En de geesten van de profeten zijn aan de profeten zelf onderworpen. Want God is geen God van wanorde, maar van vrede, zoals in alle gemeenten van de heiligen.” (1 Korinthe 14:29-33)

 

Niet elke profetie was even urgent

Paulus geeft in 1 Korinthe 14:29-33 drie regels voor het profeteren in de gemeente. Er mochten slechts twee of drie profeten een profetie uitspreken. “En laten twee of drie profeten spreken” Profetie moest beoordeeld worden. “En laten...de anderen het beoordelen”   Een profeet mocht onderbroken worden, wanneer iemand anders tijdens de gemeentesamenkomst een openbaring ontving. “als aan een ander die daar zit, iets geopenbaard wordt, laat dan de eerste zwijgen”  Sommige profetieën waren dringender dan andere. Voor sommige profetieën was het van belang dat ze direct op dat moment werden uitgesproken. Denk bijvoorbeeld aan de profetie van Agabus in Handelingen 21. Als Agabus gewacht had met het uitspreken van deze profetie was Paulus al weer ergens anders geweest en had hij zijn kans gemist. Voor andere profetieën was dat veel minder van belang. Het uitspreken ervan zou ook best tot de volgende dag of eventueel de volgende week hebben kunnen wachten. Deze profetieën mochten onderbroken worden, de boodschap die God aan deze profeet had gegeven, zou dan op een ander moment opnieuw uitgesproken kunnen worden.

 

De redenering van Grudem

 

Grudem legt deze laatste regel anders uit. Hij ziet in deze regel een aanwijzing voor feilbare profetie. Een profeet geeft iets door, een ander krijgt een openbaring en daarom moet de eerste zijn boodschap afbreken. Uit het feit dat een profeet onderbroken mocht worden, concludeert Grudem dat die profeet geen gezaghebbende boodschap van God doorgaf. Want, zo redeneert hij, als iemand werkelijk met absoluut goddelijk gezag sprak, dan zou hij nooit onderbroken mogen worden. Als dat toch gebeurde, zou een deel van de boodschap van God verloren gaan. (28)

 

De redenering van Grudem klopt niet.

 

Als een profeet onderbroken wordt dan hoeft niet onvermijdelijk een deel van zijn boodschap verloren te gaan. Hij kan altijd op een ander moment alsnog de boodschap die hij van God heeft gekregen doorgeven.

 

Stel dat Jesaja tijdens het uitspreken van een van zijn profetieën onderbroken werd, waren er dan woorden van God verloren gegaan? Nee, in dat geval had God Jesaja ongetwijfeld opgedragen om de woorden die Hij aan hem geopenbaard had nogmaals uit te spreken.

 

5.     Waarom probeert Grudem dit onderscheid in de Bijbel in te lezen?

 

We hebben hiervoor gezien dat geen van de argumenten van Grudem standhoudt. Ook blijft staan wat in de punten 2 en 3 is besproken. Dezelfde woorden worden gebruikt voor profeten uit het Oude en het Nieuwe Testament: profeet, profeteren, profetie. Beiden spreken met het zelfde gezag: “zo zegt de Here”, “zo zegt de Heilige Geest”. Het profeteren van de apostelen en de nieuwtestamentische profeten wordt op één lijn met elkaar gesteld, de nieuwtestamentische gemeente is gebouwd op het fundament van de apostelen en de profeten. God vatte valse profetie zeer ernstig op in het Oude Testament. God vindt het zeer ernstig als mensen beweren dat zij namens Hem spreken, terwijl dat niet het geval is. Dat is in het Nieuwe Testament niet anders, want God is niet veranderd. Als hij vroeger een hekel had aan valse profetie, dan heeft hij dat nu nog steeds.

 

Grudem laat het als Bijbelleraar op dit punt ernstig afweten. Hoe kunnen we dit verklaren? 

 

Het heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met zijn charismatische achtergrond. Grudem gelooft, net als alle charismatische christenen, dat alle geestesgaven vandaag de dag nog voorkomen. Als het om profetie gaat, kun je echter moeilijk volhouden dat die gave er tegenwoordig nog is. De eisen die in de Bijbel aan profeten worden gesteld zijn streng, een profeet moet honderd procent betrouwbaar zijn, hij mag zich nooit vergissen (Deut. 13:1-5; 18:20-22). (29) Niemand is vandaag de dag in staat om aan deze eisen te voldoen, ook niet in charismatische kring. Dit bevestigt dat God op dit moment deze gave niet meer geeft. Iets wat evangelische en reformatorische christenen altijd hebben geleerd. (30) Charismatische christenen zoals Grudem vinden het moeilijk om dit te accepteren, omdat deze constatering hun leer weerspreekt. 

 

Grudem en andere charismatische christenen zitten dus met een dilemma. Ze weten dat er ook in hun midden geen profeten zijn die voldoen aan de Bijbelse eisen. Maar toch willen ze hun stelling dat alle geestesgaven voor nu zijn niet los laten. Erkennen dat de Bijbelse gave van profetie niet meer voorkomt, zou  beteken dat ze de kern van de charismatische theologie op geven, namelijk hun geloof in het voortduren van alle geestesgaven.

 

Om dit dilemma op te lossen hebben enkele bijbelleraren, waaronder Grudem, bedacht dat er twee vormen van profetie zijn. Een onfeilbare vorm van profetie, op het niveau van de oudtestamentische profeten. En een feilbare vorm van profetie. Bij deze laatste vorm van profetie geeft de profeet in menselijke woorden door wat God hem spontaan te binnen heeft gebracht. Deze profetieën zijn lang niet zo betrouwbaar als de profetieën van de oudtestamentische profeten. Een hedendaagse profeet kan zich wel eens vergissen. Alleen deze laatste, lagere vorm van profetie komt volgens Grudem tegenwoordig nog voor. Door dit onderscheidt te maken kan Grudem vol blijven houden dat profetie tegenwoordig nog voorkomt, en hoeft hij niet toe te geven dat sommige gaven na de tijd van de apostelen zijn verdwenen.

6.     Grudem leert dat profetie er volgens de Bijbel nog moet zijn

 

We hebben in de punten hiervoor Grudems stelling dat er twee vormen van profetie zijn besproken. Maar er zijn nog enkele onderdelen in zijn onderwijs over profetie die omstreden zijn. Hij probeert vanuit de Bijbel aan te tonen dat profetie ook nu nog in de gemeente voor komt. Verder leert hij dat je kunt groeien in het profeteren.  Beiden leerstellingen zullen we in het tweede deel van deze studie bespreken. We zullen beginnen met zijn stelling dat de gave van profetie er volgens de Bijbel vandaag nog is. We zullen drie Bijbelgedeelten bekijken.

 

6.1.  Handelingen 2:16-21

 

Handelingen 2:16-21 maakt onderdeel uit van de toespraak van Petrus op de Pinksterdag. Petrus citeert in deze toespraak Joel 2:28-32. Dat doet hij om de gebeurtenissen van de Pinksterdag te verklaren.

 

 “Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven aan de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt. En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.” (Handelingen 2:16-21)

 

Grudem gelooft dat deze profetie van Joel op dat moment in vervulling ging. Op de Pinksterdag brak er een nieuwe tijd aan, de tijd die in Joel 2:28-32 wordt beschreven. Deze tijd wordt gekenmerkt door de uitstorting van de Geest over alle gelovigen en door profetieën, dromen en visioenen. Omdat we op dit moment nog steeds in deze tijd leven, zo is de redenering van Grudem, kunnen we verwachten dat christenen ook vandaag de dag nog kunnen profeteren. (31)

 

Deze uitleg van Grudem is onjuist. De profetie uit Joel gaat niet over de gemeente maar over het volk Israël in de eindtijd.

 

De profetie uit Joel beschrijft wat er met het overblijfsel van het volk Israël zal gebeuren, wanneer zij aan het eind van de grote verdrukking tot geloof komen. Op dat moment zal God Zijn Geest op hen uitstorten, terwijl tegelijkertijd allerlei tekenen in de natuur zullen plaatsvinden (32) . “En Ik zal wondertekenen geven aan de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed,…”

 

De gebeurtenissen van de Pinksterdag leken veel op deze profetie uit Joel. In beide gevallen is er sprake van een uitstorting van Gods Geest. Maar de details verschillen.

Drie verschillen:

1) Volgens de profetie uit Joel zal Gods Geest uitgestort worden over heel Israël. Op de Pinksterdag werd de Geest alleen uitgestort over de discipelen die in Jeruzalem bijeen waren. 

2) Volgens de profetie uit Joel zullen de Israëlieten profeteren en dromen en gezichten zien. Op de Pinksterdag spraken de discipelen in tongen en profeteerden zij van de grote daden van God. De profetie uit Joel zegt niets over spreken in tongen en op de Pinksterdag was alleen sprake van profeteren maar niet van dromen en visioenen.

3) Volgens de profetie uit Joel zullen er, in de tijd dat de Geest uitgestort wordt over Israël, grote wonderen en tekenen zijn. De zon zal worden verduisterd en de maan zal in bloed veranderen. Deze tekenen werden niet waargenomen op de Pinksterdag of kort daarna.

 

Petrus was zich uiteraard bewust van deze verschillen. Hij wist dat Gods Geest alleen over de discipelen werd uitgestort en niet over geheel Israël zoals de profetie uit Joel zegt. Hij wist ook dat er geen grote wonderen in de hemel en tekenen op de aarde beneden waren toen de Geest op de discipelen kwam. En toch citeert hij deze profetie. Waarom doet hij dat?

Petrus doet dit om de gebeurtenissen van de Pinksterdag inzichtelijk te maken voor de Joden in Jeruzalem. Met behulp van deze profetie probeert Petrus de Joden uit te leggen wat het was dat ze zojuist hadden  waargenomen.  Hij citeert de profetie uit Joel slechts als illustratie van wat er met de discipelen gebeurde. Hij zegt: “Waar Joel het over heeft - een uitstorting van de Geest - zo iets hebben wij ook zojuist beleefd. De profetie van Joel spreekt over een uitstorting van de Heilige Geest op het volk Israel in de eindtijd, met ons is ook iets dergelijks gebeurd.” Hij beweerde niet dat met de uitstorting van Gods Geest op de Pinkterdag de profetie van Joel in vervulling ging.

 

We kunnen de profetie uit Joel daarom niet zomaar één op één toepassen op de kerk. Wanneer Gods Geest in de eindtijd over het volk Israël zal komen, zullen allen profeteren. Velen onder het volk zullen gezichten zien en dromen dromen. Maar dat geldt niet voor de gemeente.

Zelfs in de tijd van de apostelen konden lang niet alle christenen profeteren.  (33) En tegenwoordig komt deze gave helemaal niet meer voor. (34)

 

6.2.   1 Korinthe 13:8-12

 

In dit Bijbelgedeelte legt Paulus uit dat profetie en kennis teniet gedaan zal worden op het moment dat Jezus terugkomt.

 

“Wat dan profetieën betreft, zij zullen tenietgedaan worden, wat talen betreft, zij zullen ophouden, wat kennis betreft, zij zal tenietgedaan worden. Want wij kennen ten dele en wij profeteren ten dele...Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben.”(1 Korinthe 13:8-10,12)

 

Volgens Grudem wordt met de “profetieën” waar vers 8 over spreekt de gave van profetie bedoeld. Dit vers zou daarom leren dat de gave van profetie voor zal blijven komen tot aan de terugkomst van Jezus. (35)

 

Ook deze redenering van Grudem klopt niet. Er wordt in vers 8 niet over ‘de gave van profetie’ gesproken, maar over ‘profetieën’. Dat zijn twee verschillende dingen. Paulus zegt hier niet: “Wat dan het profeteren betreft, het zal tenietgedaan worden...”. Hij zegt: “Wat dan profetieën  betreft, zij zullen tenietgedaan worden...”

Met deze profetieën worden de boodschappen bedoeld die door de profeten uit zijn gesproken. Een groot deel van deze profetieën heeft God op laten schrijven. Deze woorden van God vormen samen de Bijbel, de zesenzestig boeken van het Oude en Nieuwe testament. De profetische woorden van de Bijbel zullen, wanneer Jezus ons op komt halen, niet meer nodig zijn. We hoeven dan niet meer uit de Bijbel te leren over Jezus, we zullen Hem rechtstreeks zien, van aangezicht tot aangezicht. (36)

 

6.3.  1 Korinthe 14

 

In 1 Korinthe 14:1 roept Paulus de gelovigen te Korinthe op om te streven naar de gave van profetie. Daaruit concludeert Grudem dat profeteren onderdeel behoort te zijn van het normale gemeenteleven. En dat dit ook in onze tijd onderdeel van de samenkomsten van de gemeente behoort te zijn. Dit bewijst volgens hem dat deze geestesgave er ook vandaag de dag nog is. (37)

 

Deze redenering klopt niet. Wat Charismatische christenen, zoals Grudem, over het hoofd zien is dat deze gave een tijdelijk doel had. De gave van profetie was net als de gave van apostel bedoeld om nieuwe waarheden te openbaren aan de gemeente (Efeze 2:20; 3:5). Deze nieuwe openbaring kwam in eerste instantie via de apostelen tot de gemeente. Maar omdat de apostelen niet overal tegelijk aanwezig konden zijn, zette God in die tijd naast de apostelen ook profeten in. Paulus heeft 1 Korinthe 14 geschreven op het moment dat God bezig was om deze nieuwe openbaring via de apostelen en profeten aan de gemeente over te brengen. In die tijd waren richtlijnen voor het functioneren van de gave van profetie belangrijk. Nadat God deze waarheden had geopenbaard en er voor gezorgd had dat zij voor volgende generaties bewaard bleven in de geschriften van het Nieuwe Testament, verdwenen de gaven van apostel en profeet. 

 

7. Werkt de gave van profetie in de één sterker dan in de ander?

 

Laten we nu naar de tweede bewering van Grudem kijken. Het idee dat je kunt groeien in de uitoefening van de gaven van profetie.

 

Volgens Grudem werkt de gave van profetie in de één sterker dan in de ander. Een jonge, beginnende profeet is in vergelijking met een meer ervaren profeet vaak nog niet zo goed in het herkennen van Gods stem. Volgens Grudem leert een profeet in de loop der tijd steeds beter zijn eigen gedachten te onderscheiden van de boodschap van God.  (38)

 

Deze theorie klopt niet, want de Bijbel laat geen enkele ruimte voor groei in de uitoefening van de gave van profetie. Dat volgt uit de aard van profetie in de Bijbel. Een profeet is iemand die de woorden van God doorgeeft. Als een profeet zijn eigen gedachten niet weet te onderscheiden van Gods gedachten moet hij als valse profeet ter zijde worden gesteld. In het Oude Testament moest zo iemand zelfs gedood worden. Er is dus geen enkele ruimte voor groei in de zuiverheid van het profeteren. (39)

 

Bij sommige geestesgaven is groei mogelijk, maar bij de gave van profetie niet. Iemand met de gave van leraar zou kunnen groeien in zijn kennis van de Bijbel waardoor zijn boodschap steeds rijker wordt, maar zo werkt dat niet bij profetie. Ook bij andere geestesgaven is groei niet mogelijk. Denk bijvoorbeeld aan de gave van genezing. Je kunt niet groeien in het uitoefenen van deze gave. Hoe zouden we ons dat voor moeten stellen? Dat iemand in het begin alleen mensen kan genezen die bijziend zijn, daarna mensen die slechtziend zijn en vervolgens mensen die geheel blind zijn? Of dat iemand eerst één procent van de zieken die bij hem komen kan genezen, daarna twintig procent, vervolgens zestig procent, en na veel oefenen honderd procent?

 

8. Stil worden en aandachtig luisteren

 

Grudem vindt dat we in onze gemeentesamenkomsten meer ruimte moeten bieden voor profetie.

Hij raadt gemeenten aan om tijdens de gemeentesamenkomsten perioden van stilte in te lassen. Tijdens deze stiltemomenten moeten gemeenteleden aandachtig luisteren of God iets aan hen openbaart. Zodra iemand een woord van de Heer heeft ontvangen, moet hem of haar de ruimte worden geboden om dat met de gemeente te delen. (40)

 

Maar dat is niet de manier waarop profetie in de Bijbel werkt. Zie bijvoorbeeld 1 Korinthe 14:30. In dit vers spreekt Paulus over een profeet, die terwijl een andere profeet een boodschap uitspreekt, een openbaring van God krijgt. Om deze boodschap van God te ontvangen hoefde deze profeet dus niet stil te worden en aandachtig te luisteren. God sprak helder en duidelijk tot de profeten zelfs wanneer zij in de gemeentesamenkomst aandachtig aan het luisteren waren naar een andere profeet.

 

Tegenwoordig wordt vaak beweerd dat we stil moeten worden en aandachtig moeten luisteren om de stem van God te kunnen verstaan. Dit komen we nergens in de Bijbel tegen. Als dit werkelijk zo belangrijk is voor ons geestelijk leven, zou dit duidelijk in de Bijbel moeten staan. Dat is echter niet het geval.

 

9. De schadelijke gevolgen van de theorie van Grudem

 

De on-Bijbelse leringen over profetie van Grudem hebben allerlei negatieve gevolgen.

 

Het richt christenen op het eigen innerlijk en niet op het woord van God.

 

Het zet christenen aan om naar binnen te kijken. Om te letten op beelden, visioenen, intuïties, dromen of woorden die spontaan in je naar boven komen. Deze leer stimuleert christenen om te leven bij ingevingen en gewaarwordingen.

Dit gevaar is helemaal groot als christenen bewust aangeleerd wordt hoe ze moeten profeteren. De laatste tijd worden er in veel gemeenten cursussen en workshops profeteren gegeven. Tijdens deze cursussen en workshops wordt deelnemers aangeleerd om stil te worden en aandachtig te luisteren naar wat God je te binnenbrengt.

 

-Mensen leren te steunen op woorden van de profeten in plaats van op het woord van God

 

Veel van wat tegenwoordig voor profetie door moet gaan is simpelweg een herhaling van wat God in de Bijbel zegt. Er staat bijvoorbeeld keer op keer in de Bijbel dat God ons liefheeft, dat Hij voor ons zorgt. Waarom hebben we dan een speciale profetie van de Heer nodig om dit te horen? We moeten leren om in geloof op het woord van God te gaan staan.

 

-De nadruk op stil worden om een openbaring te kunnen ontvangen is gevaarlijk

 

Het zet je op het spoor van de ongezonde christelijke mystiek. In de Bijbel komen we dit niet tegen. Stil worden is daarentegen wel een onderdeel van de oosterse mystiek. In de oosterse mystiek wordt bewust stilte beoefend. De werking van de eigen ziel, van het denken, maar ook van de emotie en de wil, moet stil gezet worden. Als die passieve toestand is bereikt, zou je het goddelijke gaan ervaren. De christelijke mystiek werkt ook met stilte. Daarvoor worden allerlei technieken gebruikt. Bijvoorbeeld repetitief gebed. Repetitief gebed wordt ook wel contemplatief gebed genoemd. Een bekende vorm van deze gebedstechniek, is het Jezus gebed. Op het ritme van de adem wordt langzaam en aandachtig telkens de naam Jezus uitgesproken.  Andere technieken zijn meditatie bij iconen en lectio divina.  Lectio divina, is een niet rationele manier om de Bijbel te lezen. Het idee is dat je de Bijbel op je af laat komen, het gaat om het krijgen van een ervaring. Soms wordt christenen ook simpelweg geleerd om stil te zitten en te zwijgen. Al deze on-Bijbelse meditatietechnieken zijn gericht op het uitschakelen van het denken.

 

Het zijn gevaarlijke technieken want door deze on-Bijbelse technieken openen christenen zich voor contact met boze geesten. Boze geesten doen zich maar al te graag voor als engelen van het licht om naïeve gelovigen te misleiden:  Geen wonder ook! Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts(2 Kor. 11;14)

 

Grudem was een tijd lang lid van een Vinyard gemeente. Hij was bevriend met John Wimber, de oprichter van de Vinyard gemeenten. In die gemeenten wordt gerichtheid op het ontvangen van profetie al vermengd met contemplatieve technieken. Hetzelfde doet New Wine Nederland in de cursus Luisterend bidden.  (41)

 

De leer dat profetie feilbaar kan zijn, maakt het moeilijker om te onderscheiden of iemand een valse profeet is.

 

Als we de Bijbelse definitie van profetie hanteren is het heel makkelijk om valse profeten te ontmaskeren. Een profeet die er naast zit, is een valse profeet. Als we de theorie van Grudem aanvaarden wordt het veel lastiger om een valse profeet te ontmaskeren. Iemand die er af en toe eens naast zit, is volgens Grudem niet direct een valse profeet.

 

–Deze leer stelt charismatische christenen in staat om vol te blijven houden dat alle gaven nog voorkomen.

Het feit dat er tegenwoordig geen profeten meer zijn die zich nooit vergissen en altijd de woorden van God doorgeven, toont aan dat de geestesgave van profetie er niet meer is. Dit bevestigt het cessionisme. Door zijn on-Bijbelse leer over feilbare profetie redt Grudem de kernleerstelling van de charismatische theologie. Dat is de leer dat alle geestesgaven nog voor nu zijn en vandaag nog moeten functioneren. Zo kunnen charismatische christenen vol blijven houden dat de gave van profetie er nog is.

 

De leer van Grudem leidt tot charismatisering van gemeenten

 

Door de leringen over profetie van Grudem te omarmen wordt de deur open gezet voor allerlei andere charismatische leerstellingen en praktijken.

De leer van de feilbare profetie is nauw verbonden met het idee dat alle gaven nog voor nu zijn. Wanneer deze leerstelling eenmaal aanvaard is, is het hek van de dam. Het is dan heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om allerlei geestelijk gezien ongezonde charismatische praktijken tegen te houden.

Om te beginnen zal er steeds meer ruimte opgeëist worden in het gemeenteleven voor profetie. Zie het advies van Grudem dat we besproken hebben bij punt 8.

Daarnaast zullen ook andere charismatische gebruiken binnen komen zoals spreken in tongen, en de genezingsbediening. Ten slotte, zo luidt de theorie, zijn ook deze gaven nog voor nu. Wie zich tegen deze gebruiken verzet, verzet zich in de ogen van pinksterchristenen, tegen Gods Geest.

 

In niet charismatische gemeenten leidt de leer van Grudem tot grote onrust.

 

Alle charismatische leerstellingen leiden op termijn tot grote onrust in gemeenten. In de loop der tijd zijn al veel gemeenten door het binnendringen van deze leringen gescheurd. Charismatici zijn namelijk niet geneigd om hun typische opvattingen voor zichzelf te houden. Ze zijn van mening dat niet charismatische christenen veel missen door hun leerstellingen en praktijken te negeren.

Vaak geloven ze ook dat hun niet charismatische broeders en zusters de Geest bedroeven door profeteren of spreken in tongen te verbieden in de gemeentesamenkomsten.

 

Organisaties zoals New Wine en het Evangelisch Werkverband zijn er op gericht om deze en andere charismatische leerstellingen in niet charismatische gemeenten te verbreiden. (42) Deze organisaties geven vaak ook tips aan christenen voor de verspreiding van deze praktijken in hun gemeente. Soms geven ze zelfs aan hoe je met tegenstand in de gemeente om zou kunnen gaan.

 

10. Conclusies

 

Het onderscheid tussen onfeilbare apostolische profetie en feilbare nieuwtestamentische profetie kan niet vanuit de Bijbel worden aangetoond.

 

Dat was te verachten, want de theorie van Grudem is zeer recent. In de eerste 1900 jaar van de kerkgeschiedenis is niemand op dit idee gekomen. Pas toen de leiders van de charismatische beweging ontdekten dat zij niet in staat waren om op de Bijbelse manier te profeteren, begonnen zij dit onderscheid in de Bijbel te zien. Voor die tijd was het niemand opgevallen. (43)

 

Het gaat hier niet om onschuldige dwalingen. Deze leer is geestelijk gevaarlijk. Het richt christenen naar binnen en zet ze op het spoor van schadelijke charismatische en contemplatieve praktijken.

 

     ------------------

 

Eindnoten

 

[1]/.“ The Gift of Prophecy in the New Testament and today, Wayne Grudem; Systematic Theology, an introduction to Biblical Docterine, 2de editie, Wayne Grudem; “Bijbelse theologie, essentieel onderwijs over het christelijk geloof”, Wayne Grudem, bewerkt door Jeff Purswell

 

2/.Systematic theology, blz. 1280,1281, 1293-1313; “Bijbelse theologie”, blz. 551, 557-566

 

3/ Systematic theology, blz. 1280,1281, 1294; “Bijbelse theologie”, blz. 551, 558

 

4/ . Zie “Systematic theology”, blz. 1280,1281, 1296–1306; Bijbelse theologie, blz. 551, 560-565
Een citaat van bladzijde 1303:
“Though some will speak of prohecy as being the ‘word of God’ for today, there is almost unifom testimony form alle sections of the charismatic movement that prophecy is imperfect and impure and will contain elements that are not to be obeyed or trusted. For example, Bruce Yocum, the author of a widely used charismatic book on prophecy, writes: ‘Prophecy can be impure – our own thoughts or ideas can get mixed into the message we recievewheter we receive the words directly or only receive a sense of the message.’”
Nog een citaat:
“These five passages, then, indicate that Paul thought of prophecy at Corinth as something quite different from the prophecy we see, for instance, in Revelation or in many parts of the Old Testament. There, a divine authority of actual word is claimed by or on behalf of the prophets. But the prophecy we vind in 1 Corinthians, while it may have been prompted by a ‘revelation’ from God, had only the authority of the merely human words in which it was spoken. The prophet could err, could misinterpret, and could be questioned or challenged at any point” (“The gift of prophecy”, blz. 87)

 

5/ . Vergelijk Hand. 2:16; 2:29,30; 3:18, 24; 7:48 met Hand. 11:27; 13:1; 15:32; 21:10.

 

6/ . Vergelijk Math. 13:14; 1 Pet. 1:20,21 met Rom. 12:7; 1 Kor. 12:10

 

7/. Vergelijk Num. 11:25; Ezr. 6:14; Jer. 19:14; 25:30 met Hand. 19:6; 1 Kor. 13:9; 14:31

 

8/ . “Systematic theology”, blz. 1303-1304; “Bijbelse theologie”, blz. 562,563

 

9/. Grudem probeert hier onder uit te komen door een eigen draai te geven aan de uitdrukking: “Dit zegt de Heilige Geest” Volgens Grudem moeten we de uitdrukking “Dit zegt de Heilige Geest” opvatten als: “Dit is in grote lijnen (bij benadering) wat de Geest zegt.” (“Systematic theology”, blz. 1304). Voor deze bewering heeft Grudem geen enkel overtuigend argument. Hij verwijst naar twee buitenbijbelse geschriften waarin deze uitdrukking op deze manier zou functioneren. 1/ Het is twijfelachtig of de uitdrukking ‘Τάδε λέγει’ (tade legei) inderdaad op deze manier functioneert in deze geschriften.  In zijn brief aan de Filippenzen geeft Ignatius in eigen woorden weer wat volgens hem geleerd werd door Jezus en de apostelen (“Brief aan de Filippenzen”, 7:1,2). In de brief van Baranabas volgt na deze woorden een samenvatting van de boodschap van Mozes en de profeten van het Oude Testament (“Brief van Barnabas”, 6:8; 9:2,5). De schrijvers lijken er van uit te gaan dat ze deze boodschap nauwkeurig, waarheidsgetrouw doorgeven, ook al doen ze dat deels in hun eigen woorden. 2/ Het belangrijkste is echter dat deze uitdrukking nooit deze betekenis kan hebben in Handelingen 21, de context staat dit niet toe. Feit blijft dat Agabus een profeet genoemd wordt, net als de profeten van het Oude Testament. En dat hij zich op exact dezelfde manier gedraagt als de oudtestamentisch profeten. Hij gebruikt niet alleen een vergelijkbare uitdrukking om zijn woorden te introduceren, hij spreekt ook met de daar bij passende stelligheid. Agabus kent geen enkele terughoudendheid, hij ging er blijkbaar net als de oudtestamentische profeten van uit dat zijn woorden volledig betrouwbaar waren. Anders had hij zich wel voorzichtiger opgesteld.


10/
De uitleg dat deze profeten de oudtestamentische profeten zijn, klopt om die reden niet.

 

11/ Grudem is zich bewust van dit probleem. In zijn boek “The Gift of prophecy in the New Testament and today doet hij daarom een verwoede poging om een alternatieve verklaring te geven van deze bijbelgedeelten. Op basis van bepaalde grammaticale overwegingen, probeert hij de apostelen en profeten van Efeze 2:20 en 3:5 tot één en dezelfde groep te maken. Dit vers zou niet over de gewone alledaagse, nieuwtestamentische profeten spreken, maar over de apostelen die ook profeet waren. (“The Gift of prophecy”, blz. 45-63)

Deze uitleg is verre van overtuigend. 1/ In de eerste plaats wordt zij niet ondersteund door de grammatica. De  Granville Sharp rule” is niet van toepassing op naamwoorden in het meervoud. De grammatica van deze bijbelgedeelten dwingt ons daarom niet om de apostelen en profeten als één groep te zien. (Voor een bespreking van de grammatica van Efeze 2:20, zie  Greek grammar beyond the Basics, Daniel B. Wallace, blz. 284-286.) 2/ En in de tweede plaats is deze uitleg in strijd met Efeze 4:11. Als er al twijfel zou kunnen zijn over de uitleg van Efeze 2:20 en 3:5, dan wordt deze twijfel weggenomen door Efeze 4:11. Het grammaticale gegoochel van Grudem kan niet toegepast worden op Efeze 4:11. Ook Grudem zal moeten erkennen dat in dit Bijbelgedeelte de apostelen en profeten duidelijk van elkaar onderscheiden groepen zijn.  Een consequente bijbeluitleg vereist dat we de apostelen en profeten dan óók in Efeze 2:20 en 3:5 als twee afzonderlijke groepen opvatten.
In de tweede druk van zijn systematische theologie heeft Grudem zijn uitleg van Efeze 2:20 en 3:5 aangepast (“Systematic Theology”, blz. 1300-1303).  Hij lijkt nu, in tegenstelling tot zijn eerdere boeken, te erkennen dat de profeten in Efeze 2:20 en 3:5 niet vereenzelvigd mogen worden met de apostelen. Daarom beweert hij nu dat het in deze bijbelverzen om een speciale groep nieuwtestamentische profeten gaat. Profeten van wie de profetieën min of meer op hetzelfde niveau als die van de apostelen stonden.  Grudem geeft hier geen enkel overtuigend bijbels argument voor. Uit niets in de Efezebrief blijkt dat we deze profeten als een speciale groep profeten moeten zien. Als we Grudem in deze redenering volgen zijn er nu ineens niet slechts twee, maar zelfs drie verschillende groepen profeten in het Nieuwe Testament! De eerste groep zijn de apostelen die te vergelijken zijn met de oudtestamentische profeten. De tweede groep zijn de feilbare gemeenteprofeten. En de derde groep zijn de superprofeten die hetzelfde gezag hadden als de apostelen. Om zijn theorie rond te krijgen lijkt Grudem elke keer weer een nieuwe categorie profeten te bedenken!

 

12/. Voor een bespreking van profetie in de Bijbel, zie de volgende studie: www.toetsalles.nl/pdf/profeteren.ha.pdf

 

13/.Systematic theology, blz. 1294; “Bijbelse theologie”, blz. 558

 

14/. Vergelijk het optreden van Agabus met de profeet Ahia, er is geen enkel verschil. Dit is besproken onder punt 2.2.

 

15/.  De profetieën van de nieuwtestamentisch profeten zouden niets toegevoegd hebben aan de Bijbel. Hun boodschap kwam volledig overeen met die van de apostelen. Het geheel van de waarheid van het Nieuwe Testament werd niet deels aan de gemeente bekendgemaakt door de apostelen en deels door de profeten. Deze waarheid werd in haar geheel zowel door de apostelen als door de profeten aan de gemeente overgedragen (Efeze 3:5). Het was daarom niet nodig dat ook de brieven of geschriften, als deze er al waren, van de nieuwtestamentische profeten door God werden bewaard.

 

16/.Systematic theology, blz. 1294-1296; “Bijbelse theologie”, blz. 558-559

 

17/ .Systematic theology, blz. 1294-1296; “Bijbelse theologie”, blz. 558-559

 

18/.Zie bijvoorbeeld Matt 1:22; 7:11,12; 21:4; Marc. 1:2; 13:14; Luc. 3:4;   11:47; 16:29; Joh. 8:52,53; Hand. 2:16; 7:42; 13:40; Rom 1:2; Efez. 2:20;  1 Thes. 2:15; Hebr. 1:1; Jak. 5:10; 1 Pet. 1:10; 2 Pet. 3:2; Openb. 10:7.

 

19/. Zie bijvoorbeeld Matt. 5:12,17; 7:12; 11:13; 12:39; 13:17; 22:40; 23:29-31,37; 24:15; Luc. 4:27; 6:23; 13:28; 16:16,29,31; 24:25,27,44; Joh. 6:45.

 

20/.“The gift of prophecy”, blz 121-123, 133
Een citaat van bladzijde 133: “All must recognize that the revelation is partial, and may not be clear to the person prophecying, and may contain elements of mistaken understanding or interpretation on the part of the person prophesying”


21/.“Systematic theology, blz. 1298-1299; “Bijbelse theologie”, blz. 561,562

 

22/.Voor een bespreking van de eisen waar een profeet aan moet voldoen, zie punt 5van deze studie: www.toetsalles.nl/pdf/profeteren.ha.pdf

 

23/.Systematic theology, blz 1296-1298; “Bijbelse theologie”, blz 560,561

 

24/. Ze vervangen de gordel door ijzeren ketenen. Of wellicht is de gordel in het gewoel van de menigte losgekomen.

 

25/ .Systematic theology, blz. 1296; “Bijbelse theologie”, blz. 560

 

26/.“Systematic theology, blz. 1298-1299; “Bijbelse theologie”, blz. 562

 

27/ . “Systematic theology, blz. 1299; “Bijbelse theologie”, blz. 562

 

28/ .“Systematic theology, blz. 1299; “Bijbelse theologie”, blz. 562

 

29/. Voor een bespreking van de eisen waaraan een profeet moet voldoen, zie punt 5 van deze studie: www.toetsalles.nl/pdf/profeteren.ha.pdf

 

30/. Zij leren dat bepaalde geestesgaven alleen voor de begintijd van de gemeente waren. Zie deze verdediging van het cessionisme: www.toetsalles.nl/pdf/allegavennog.ha.pdf

 

31/.(“Systematic theology, blz. 1256-1257
Citaat van bladzijde 1257:

“Against the background of Jesus’ ministry and the earlier ministry of the disciples with Jesus, the disciples present at Pentecost would rightly have expected that powerful evangelistic preaching, deliverance form demonic oppression, physical healing, and perhaps also prophecy, dreams, and visions would all begin and continue among those who believe in Christ, and that these things would be charateristic of the new covenant age that began at Pentecost”

 

32/. De wondertekenen waar Joel over spreekt, plaatsen de profetie aan het eind van grote verdrukking, vlak voor de wederkomst van Christus. De tijd dat het overblijfsel van Israel tot geloof zal komen. Zie Mattheus 24:29,30.

 

33/. In 1 Korinthe 12 legt Paulus uit dat we als christenen niet allemaal dezelfde geestesgaven hebben gekregen. Hij gebruikt daarvoor het beeld van het lichaam. Een lichaam bestaat niet slechts uit een lichaamsdeel, maar uit allerlei verschillende leden. Zo is het ook in de gemeente van Jezus Christus, de een onderwijst, de ander spreekt met wijsheid, de volgende profeteert. Gods Geest geeft aan de een dit en aan de ander dat, maar hij geeft niet iedereen dezelfde gaven. In die tijd kon dus lang niet iedere christen profeteren.

 

34/.Zie dit artikel over de vraag of alle geestesgaven nog voor nu zijn: www.toetsalles.nl/pdf/allegavennog.ha.pdf

 

35/. “Systematic theology, blz. 1271-1280; “Bijbelse theologie”, blz. 548-550

 

36/. Grudem gebruikt dit bijbelvers ook om te bewijzen dat de gave van tongen voor zal blijven komen tot aan de terugkomst van Jezus. Dit bijbelgedeelte zegt echter niets over het tijdstip waarop de gave van tongen zal verdwijnen. Er staat alleen dat deze gave zal verdwijnen, maar wanneer dat zal gebeuren wordt niet vermeld.

 

37/.“Systematic theology” , blz. 1312
Citaat van bladzijde 1312:
“If Paul was eager for the gift of prophecy to function at Corinth, troubled as the church was by immaturity, selfishness, divisions, and other problems, then should we not also actively seek theis valuable gift in our congregations today? We evangelicals who profess to believe and obey all that Scritpure says, should we not also believe and obey this?”

 

38/.“Gift of prophecy”, blz 206-209,212,213
Citaat van bladzijde 213:
“Those who have the gift should expect that as it is used it may increase in strenght or intensity – they may gain more ability to distinguish clearly what is a revelation and what is not, more evidence that the gift is edifying the church, more ability to report it in a helpful way to the church – perhaps even more frequent and/ or more extensive revelations will be received.”

 

39/. Zie de punten 5 en 7 van deze studie: www.toetsalles.nl/pdf/profeteren.ha.pdf

 

40/.“Gift of prophecy”, blz. 132
Een citaat: “If we are to see the gift of prophecy functioning in our churches today, we must first believe that it is possible that God would give us such ‘revelations’ form time to time, and, second, we must allow ourselves to be receptive to such influences from the Holy Spirit, especially at times of prayer and worship. In practical terms, this would mean allowing more time for ‘listening’ for God or ‘waiting’ on him, mixed in and added to our regular times of Bible reading, intercessory prayer, and verbal praise. Then also, some of our more informal times of corporate worship should allow for periods of quietness and receptivity to such promptings form the Holy Spirit. If God should bring something to mind in these times, then the person receiving such a revelation should tell the congregation what it is. ”

 

41/.Voor een kritische bespreking van deze cursus, zie deze studie www.toetsalles.nl/pdf/luisterend.bidden.ha.pdf , speciaal de punten 19 en 20

 

42/.Van de pinksterchristenen werd vroeger wel gezegd dat zij het evangelie van de tongentaal brachten, tegenwoordig brengen charismatische christenen het evangelie van het profeteren. Dat is te zwart-wit gesteld, maar er zit een kern van waarheid in. Luisterend bidden brengt het profeteren als de weg tot een krachtig en effectief christenleven. Door profeteren ga je samenwerken met God, dan ga je grotere werken dan Jezus doen. Profeteren, genezen. (Werkboek Luisterend bidden, p. 53, Johannes 14:12)

 

43. We moeten extra voorzichtig zijn en duidelijk en overtuigend bewijs vragen als iemand beweert dat hij een waarheid in de bijbel heeft ontdekt die in de 2000 jaar daarvoor niet was ontdekt. In theorie is het mogelijk, maar het is erg onwaarschijnlijk.